Opvoeding en geloof

 

 


Opvoeden in gezinnen: zien, spreken en horen

 

De onderstaande tekst verscheen in januari 2010 in het Don Bosco tijdschrift. Het artikel kaderde in de rubriek 'Goed-gezin-d', een rubriek van zes bijdragen over gezinsthema's. De zes artikels werden door IDGP geschreven op vraag van de redactie van het Don Bosco tijdschrift.


Opvoeden in het gezin gaat niet in de eerste plaats over het aantal uren dat we vrij maken voor de kinderen. Het gaat vooral over de manier waarop we in het dagelijkse gezinsleven met kinderen omgaan: tijdens de drukke school- en werkweek, tijdens de weekends of vakantie, … Hoe horen, zien en spreken we? En drukken we met dat (niet) horen, (niet) zien en (niet) spreken een gerichtheid op het kind uit of eerder een gerichtheid op onszelf? Wie moet zich aanpassen: het kind of de volwassene of beiden? En hoe kunnen kinderen het gevoel krijgen dat we echt rekening met hen houden? Moeten ze enkel stil en braaf zijn, en doen ze er verder niet toe? Of krijgen ze inspraak, horen we hun mening en zien we hun inzet?

Ouder-zijn is in alle omstandigheden een grote uitdaging. Er zijn maar weinig gezinnen waar alles vlot en harmonisch verloopt. Ouders hebben hun handen vol aan hun werk en het huishouden, en er zijn ook eigen problemen en beslommeringen. Daarnaast worden ze ook nog opgeroepen om via dat alles aan zichzelf te werken en na te denken over hun manier van opvoeden. Door de drukte van het dagelijkse leven heen is daar niet altijd ruimte voor. Toch moeten we het daarmee doen: het is in die context dat we onszelf moeten durven in vraag stellen, vanuit de wetenschap dat we allemaal het beste voor hebben met onze kinderen. Ze groeien trouwens als kool en de tijd vliegt. Dus: Hoe gaan we met onze kinderen om? Hoe horen, zien en spreken we? Wat is onze intentie en hoe komt die over bij onze kinderen?
 


            “Wat wil je later worden?”, vroeg de juf,
            't was in de derde klas.
            Ik keek haar aan en wist het niet,
            'k dacht dat ik al iets was.
 
           Toon Hermans
 



Zien: kindbeelden en participatie

In haar boek ‘Het gezin: à-Dieu?’ (2009) schrijft Annemie Dillen dat de concrete omgang met kinderen onder andere afhangt van het ‘kindbeeld’ dat mensen hebben. Vooral vroeger, maar ook nu worden kinderen soms gezien als zwakke, kleine, nog-niet-volwassen mensen die vooral beschermd, verzorgd en opgevoed moeten worden. Over opvoeding werd/wordt dan gesproken alsof kinderen maakbaar zouden zijn. Opvoeding maakt van hen volwassen burgers die beantwoorden aan de maatschappelijke verwachtingen. Het is vooral belangrijk dat ze leren om braaf en stil te zijn, en om zich zo te ontwikkelen dat ze later goed functioneren en presteren (op school, in hun job, …).
Ethisch gezien roept dit kindbeeld een aantal vragen op: Beschikken volwassenen over álle vaardigheden en kennis die kinderen moeten leren? Hebben kinderen geen eigen wijsheid en vaardigheden waar juist volwassenen van kunnen leren? Zijn kinderen niet méér dan on-volwassen, on-verantwoordelijk, on-mondig en in-competent? Hebben zij geen waarde op zichzelf? Zijn kinderen enkel ‘nog niet’-volwassenen? En wat met de metafoor ‘kind van God’, die wijst op de principiële gelijkheid van alle mensen? (1) Het klassieke kindbeeld vindt opvoeding echter ‘vooral belangrijk met het oog op de toekomst en niet zozeer om wat kinderen er als kind aan hebben.’(2)
Gelukkig vindt ook een ander kindbeeld zijn weg in ons denken: kinderen hebben zelf ook iets te bieden. Ze hebben eigen competenties en vaardigheden, nu al, en mogen van daaruit participeren aan het gezinsleven. Die zienswijze biedt niet enkel zicht op de verantwoordelijkheid en de zorg die ouders moeten hebben voor kinderen, maar ook op wat kinderen zelf te geven hebben. Ze laat ruimte voor participatie: onze kinderen kunnen zelf bijdragen aan de gezinsrelaties, vooral wanneer we hun inspraak geven en echt laten meedoen. Daarbij is het belangrijk dat we kinderen niet verengen tot hun competenties op sociaal hoog aangeschreven domeinen zoals goede schoolresultaten, sportprestaties,… maar ook andere vaardigheden erkennen: gevoel voor rechtvaardigheid, eerlijkheid, leiderschap, huishoudelijke taken, troosten,… Het is belangrijk om te beseffen dat we ons kind – zoals het nu is, met zijn of haar eigen rugzak aan vaardigheden en kennis, los van de groei naar één of ander doel – aanvaarden en graag zien!
 

Spreken: erkenning geven

Kinderen zelf een zekere verantwoordelijkheid geven, is ook zorgen voor participatie. Dat gebeurt natuurlijk het best binnen bepaalde grenzen en aangepast aan hun ontwikkeling. Toch is het niet omdat kinderen ‘mogen’ geven – een recht dat hun soms ontzegd wordt – dat we hun geen erkenning moeten geven voor wat ze doen. Het gaat trouwens over erkenning voor meer dan wat ze concreet doen. Het gaat ook over hun respect voor de grenzen die we aangeven, hun troost wanneer we verdrietig zijn, hun blijheid die ons opfleurt, hun zorg voor broer of zus, hun liefde voor oma en opa,… Hoe vanzelfsprekend het soms ook lijkt dat ze aan onze terechte verwachtingen voldoen, voor het kind kan het een hele opdracht zijn. Zien wat ons kind geeft en daar erkenning voor geven, is dus geen verwennerij.
Van erkenning groeien kinderen meer dan van wat ook: ze verwerven zelfvertrouwen en eigenwaarde, ze ervaren dat hun bijdrage er echt toe doet en ze leren de waarde van hun geven inschatten. Erkenning geven betekent oog hebben voor hun eigen manier van geven. Dit is niet altijd zo gemakkelijk. We hebben het immers heel druk en we hebben vaak beslommeringen en problemen aan ons hoofd. Toch moeten we onszelf, en eventueel ook onze partner, durven in vraag stellen. Hebben we oog voor de unieke geschenken van ons kind? En spreken we onze erkenning daarvoor uit?
 

Horen: een eigen mening

Onze kinderen ernstig nemen in hun mogelijkheden, houdt ook in dat zij als actieve deelnemer aan de communicatie kunnen bijdragen. Bij een ruzie of bij een gesprek over geloof of levensbeschouwing bijvoorbeeld, is het zinvol om te luisteren naar de visie die het kind daarop heeft. Hun idee is niet per se minder ‘goed’ dan dat van ons, volwassenen. Onze kinderen kunnen zelfs openbarende uitspraken doen en (spirituele) inzichten wekken en verdiepen. Kinderen inspraak geven, is echter niet zo gemakkelijk. Onderzoekster Leen Ackaert stelde vast dat ouders vaker het gevoel hebben dat ze de mening van hun kinderen vragen en in rekening brengen, dan dat kinderen zelf dat gevoel hebben. (3) Los van de vraag met hoeveel korrels zout we de subjectieve antwoorden van kinderen en ouders moeten nemen, biedt deze uitkomst wel stof tot nadenken. Laten we onze kinderen tegenspreken, een andere mening uiten? Of zien we hun kijk op de zaak eerder als tijdverlies in onze dagelijkse drukte? Nemen we de tijd om echt te luisteren en rekening te houden met wat zij vinden?
 

Geduld en aandacht

Soms zien we kinderen wel als bekwaam en mondig, maar komen we er in de praktijk toch niet toe om participatie (al dan niet begrensd) toe te staan, hun mening te vragen of erkenning op hun niveau tot uitdrukking te brengen. We weten dan zelf wat het beste is voor hen, vragen niet naar hun mening of vinden het vanzelfsprekend dat ze helpen en braaf zijn – en we geven er dan ook geen erkenning voor.
Allereerst is het belangrijk om te beseffen dat ook ouders maar mensen zijn, beperkt en competent tegelijk. De boog kan niet altijd gespannen staan, er is geen mens die volledig volgens zijn eigen principes leeft. We moeten dus geduld hebben met onszelf. Tegelijk kunnen we ernaar streven om vaker stil te staan bij onze manier van omgaan met onze kinderen.
Wanneer we op een democratische manier willen opvoeden, bieden we onze kinderen zowel vrijheid als grenzen. Dan hebben we, meer dan wanneer we toegeeflijk of autoritair zijn, oog voor hun geven en hun eigenheid. In ons jachtige leven iets meer woorden geven aan de redenen waarom we een grens stellen, kan hun meer inzicht bieden in onze zienswijze. Dan dringt stilaan door dat we als ouders het beste met hen voor hebben. Erkenning gevend voor hun inzichten en hun geven, groeien ook wij met hen mee. 
 

Voetnoten:

(1) ANNEMIE DILLEN, Het gezin à-Dieu? Een contextuele benadering van gezinnen in ethisch, pedagogisch en pastoraaltheologisch perspectief, Brussel, KVAB, 2009, p. 409. Terug naar tekst
(2) Ibid., p. 398. Terug naar tekst
(3) Ibid., p. 417-420. Terug naar tekst
 

De bovenstaande tekst verscheen in januari 2010 in het Don Bosco tijdschrift. Het artikel kaderde in de rubriek 'Goed-gezin-d', een rubriek van zes bijdragen over gezinsthema's. De zes artikels werden door IDGP geschreven op vraag van de redactie van het Don Bosco tijdschrift.

 

top